|
De deur
Het vlot waarmee ik op de Oosterschelde voer, was ooit een deur geweest. Aan een kant was hij weggerot. Hier en daar zaten nog een paar schilfers groene verf. Het was januari. Nevelslierten dreven over het ijskoude water. De zee was grauw en glad, met hier en daar een rimpeling.
Kees en ik slenterden langs de zeedijk. We zagen de deur tegelijk.
'We moeten een vaarboom hebben,' zei ik. De enige stok die we tussen het aangespoelde wrakhout konden vinden, was een meter lang.
'Geeft niks,' zei Kees. 'Het is hier toch niet diep.' We duwden de deur, die half op de oever lag, in het water.
‘Ga jij maar eerst,’ zei Kees, want het was overduidelijk dat het gewicht van twee jongens van tien het drijfvermogen van de deur ver overtrof. Dat hoefde hij geen twee keer te zeggen! Ik rolde mijn broekspijpen omhoog en stroopte de mouwen van mijn jack op. Toen stapte ik voorzichtig met mijn rubberlaarzen op de deur en liet me op mijn knieën zakken. Kees reikte me de stok aan en ik stak van wal.
‘Joehoe!’ schreeuwde ik. Kees slenterde in zijn capuchon gedoken langs de dijk met mij mee. Af en toe stampte hij met zijn voeten.
Ik voelde niets van de kou. Het vlot was de Batavia en ik de kapitein. Ik voer naar een eiland met wuivende palmbomen. De inboorlingen hadden nog nooit een blanke gezien en vereerden mij als hun god. Mijn troon was met bloemen versierd en halfnaakte krijgers met speren en schilden voerden een woeste dans voor mij uit.
De tamtams verstomden abrupt toen ik bijna voorover in het water dook. Het was plotseling dieper geworden en toen ik de stok op de bodem plantte, stak mijn hand in het ijskoude water. Ik hoorde roepen en keek om me heen. Kees liep met grote passen langs de dijk, zwaaide naar me en schreeuwde iets wat ik niet kon verstaan, maar wat niet vriendelijk klonk.
‘Ik kom eraan!’ schreeuwde ik en begon de deur naar de kant te duwen. Elke keer als ik de stok met een ruk uit de modder trok, spoelde een koud golfje om mijn blote knieën. Ik keek achter me: de dijk kwam nauwlijks dichterbij. Met mijn tanden op elkaar begon ik fanatiek te duwen. Opeens bleef de stok in de taaie slik steken en glipte uit mijn handen. Hij stak net boven de oppervlakte uit en bewoog onrustig, alsof onder water iemand hem probeerde los te wrikken. Binnen tien seconden was hij een zwarte stip in de verte.
Aan de rand van de vaargeul, honderd meter verder, lag een groene kegelvormige boei plat op het water en rukte als een hofhond aan zijn ketting. Onderlangs de dijk liep Kees nu op een drafje met mij mee.
Ik bedacht dat het water niet dieper kon zijn dan de lengte van mijn vaarstok die ik kwijt was, en die was een stuk korter dan ikzelf. Als ik nu van het vlot zou stappen, zou ik naar de kant kunnen lopen. Het ijskoude water weerhield me. Ik keek naar een bocht in de dijk waar ik recht naar toe leek te drijven, maar de Batavia, inmiddels verschrompeld tot een half vergane deur, bleef exact evenwijdig met de kustlijn drijven, maakte extra snelheid toen hij op dertig meter afstand Kaap de Goede Hoop rondde en voer een eindeloze leegte binnen. Boven mij krijste een eenzame zeemeeuw en verdween in de dikker wordende mist.
Kees stond nu bovenop de dijk als het standbeeld van de vissersweduwe in Urk die over het water tuurt, wachtend op haar echtgenoot die nimmer zal terugkeren. Eindelijk drong tot mij door in welke situatie ik me bevond. De stok die zich snel van het vlot had verwijderd, de platliggende boei, Kees die steeds harder had moeten lopen om me bij te houden: het waren allemaal waarschuwingen dat de ebstroom bezig was tonnen zand en slik, en alles wat in de Oosterschelde niet muurvast was verankerd, de Noordzee in te sleuren.
Maar het was het vervagende silhouet van Kees op de dijk, waardoor als een harde stomp in mijn maag de angst toesloeg. Opeens had ik het koud. Mijn tanden begonnen te klapperen en mijn hele lichaam trilde.
‘Help!’ krijste ik. Het geluid smoorde in de nevel. In paniek kwam ik overeind. Het vlot wiebelde gevaarlijk. Centimeter voor centimeter schoof ik met mijn voeten naar de rand. Langzaam zakte de deur aan een kant naar beneden. Het ijskoude water liep in mijn laarzen, kroop omhoog tegen mijn benen, voorbij mijn opgerolde broek, bereikte mijn kruis. Ik gleed van de deur, mijn voeten zochten tevergeefs de bodem en ik ging kopje onder. Mijn gedachten verdwenen. Alles ging automatisch. Mijn armen en benen maaiden door het water. Mijn hoofd kwam boven. Met mijn laarzen en winterjack aan duurde de wanhoopspoging niet langer dan twee minuten.
‘Help!’ Ik hapte naar adem, klauwde om me heen om houvast te vinden. Het was voorbij. Ik liet me wegzakken in de diepte.
Opeens voelde ik grond onder mijn voeten. Ik stond tot aan mijn borst in het water. Met mijn handen roeiend, worstelde ik me naar de dijk toe, de laatste twintig meter over de inmiddels drooggevallen slikken. Een laars bleef in de zuigende modder steken, maar ik merkte het niet. Ik gleed uit op het spekgladde blaaswier waarmee de dijkvoet was begroeid en viel uitgeput neer.
Daar stond Kees, zijn handen begraven in de zakken van zijn winterjack.
‘Waarom heb je onze deur laten wegdrijven?’ zei hij nijdig. ‘We zouden toch om de beurt?’
|