Dement

 

Eergisteren stond ik in de bijkeuken en ik had geen flauw idee wat ik daar zocht. Pas toen ik terug liep en de losse deurkruk in de zitkamer vastpakte, herinnerde ik me dat ik een schroevendraaier ging halen.

Zou ik dement worden? Deze vraag houdt mij de laatste tijd bezig. Dat mijn kennissen dat idee uit mijn hoofd proberen te praten, sterkt me in mijn vermoeden dat mijn hersencellen sneller afsterven dan mijn leeftijd rechtvaardigt.

Mijn buurman van negenentachtig heeft mij de vermoedelijke waarheid hardhandig onder ogen gebracht. Bovendien is hij ervaringsdeskundige, zodat zijn oordeel zwaar weegt.    

Gisteren belde hij bij me aan. Hij stond daar, met in zijn hand de roodkoperen kolenkit met paraplu, die bij hem in de gang naast de voordeur staat. Hij tilde hem tot ooghoogte. Of ik toevallig wist waar hij de kolen had gelaten. ‘Het is fris in huis,’ zei hij. Dat kon ik me goed voorstellen. Ik schatte het min tien, er joegen dichte sneeuwvlokken en een messcherpe oostenwind benam je de adem, maar onder zijn openhangend morsige colbertje droeg hij een blauwgestreepte pyjama waaraan linksonder twee knopen teveel leken te zitten.

   ‘Maar Johan,’ zei ik terwijl ik mijn hand op zijn benige schouder legde en hem snel naar binnen trok. ‘Je hebt centrale verwarming. Daar heb je geen kolen voor nodig.’ Eerst keek hij me achterdochtig aan, maar opeens klaarde zijn gezicht op. ‘Nou je het zegt,’ zei hij. ‘De centrale verwarming. Heb ik die gisteren niet in de schuur zien liggen? Ik ben ook zo vergeetachtig de laatste tijd.’

   ‘Ach, iedereen vergeet wel eens wat,’ zei ik, en vertelde hem over de losse deurkruk.

   ‘Pas op,’ zei Johan en hij zwaaide een bevende wijsvinger voor mijn gezicht. ‘Zo is het bij mijn zwager ook begonnen en die zat een half jaar later in de gesloten afdeling van De Gelderse Roos. Als ik aan die man denk, ben ik dankbaar dat ik nog zo helder ben.’

 

‘Twintig jaar geleden was je net zo vergeetachtig als nu, dus wat zeur je,’ zegt Roos, mijn vriendin. Weet je nog dat je naar Groningen ging voor die vergadering?’ Krijgen we dát weer. Zij begint altijd over de vergadering die in Maastricht gehouden werd en waarvoor ik per ongeluk naar Groningen ging, omdat daar de laatste keer die vergadering ook werd gehouden. Zoiets kan iedereen overkomen die het druk heeft. Dat is normale verstrooidheid en heeft inderdaad met dementie niets te maken.

‘Het is de leeftijd, je bent tenslotte zevenenzestig,’ zegt mijn broer die nota bene tien jaar ouder is dan ik en een geheugen heeft als iemand van vijfentwintig.

Om aan alle onzekerheid een eind te maken, ben ik vanmorgen naar de huisarts gegaan. Dat is een echte deskundige, en met de vergrijzende bevolking is vermoedelijk de helft van zijn patiënten dement. Zo iemand ziet meteen of ik, mijn leeftijd in aanmerking genomen, normaal degenereer.

   ‘Aan dementie is weinig te doen,’ zegt hij opgewekt. ‘Maar je moet je er niet druk om maken. Het is een langzaam proces dat bovendien vertraagd kan worden door sudoku’s op te lossen en zo weinig mogelijk alcohol te gebruiken.’

 

   ‘En, wat zei de dokter?’ vraagt Roos als ik thuiskom. Ik kijk haar aan en denk na. Goeie vraag... 
  
‘Het is niet ernstig,’ zeg ik tenslotte en loop naar de kast waar de whisky staat.

   ‘Heeft hij niet gezegd dat je niet teveel moet drinken?’ vraagt ze. 'Dat zeggen ze altijd.'
   ‘Niet dat ik me herinner, maar ik drink ook niet teveel,’ zeg ik en schenk mezelf een dubbele Johnny Walker in.

Genietend van mijn drankje denk ik met weemoed aan de tijd dat ik een geheugen had als de harde schijf van mijn computer. Ik vergat nooit iets… tenzij ik dat intussen vergeten ben.