Een gelukkig mens

 

 

Roos vindt dat ze geluk gehad heeft omdat ze haar been heeft gebroken. Ze had ze immers ook allebei kunnen breken, of een been en een arm. En wat denk je van een dwarslaesie waarmee je de rest van je leven in een invalidenwagen doorbrengt en niet eens meer alleen naar de wc kunt?

   ‘Ik heb enorm geluk gehad,’ zegt ze. Met een stralende blik kijkt ze me aan vanaf de bank. Haar gipsbeen ligt op het krukje dat ik vijftien jaar geleden in Afrika van een timmerman met één voet heb gekocht. Het andere had hij afgehakt tijdens het vellen van de boom waarvan dat krukje gemaakt is, vertelde hij, waarmee hij de allerminst redelijke vraagprijs dacht te rechtvaardigen. Een krukje komt altijd van pas, dacht ik. En dat blijkt, al heeft het even geduurd.

   Roos brak haar been omdat ze ongelukkig op de rand van de salontafel terecht kwam. Ze wilde een foto van mijn betovergrootouders ophangen. De trap stond iets te ver van de spijker en ze had geen zin om ‘al die drie treden naar beneden te gaan’ om hem te verzetten.

   Mijn buurvrouw uit Togo, een land waar veel aan voodoo wordt gedaan, beweert dat het ongeluk is veroorzaakt door de geesten van de opa en oma van mijn grootmoeder, die niet willen dat hun foto hier aan de muur hangt. Ik heb jaren in Afrika gewoond en heb daarom veel begrip voor causale verbanden die voor de doorsnee Nederlander niet direct voor de hand liggen, temeer omdat ik de foto beter op zijn plaats vind in het trapgat naar de zolder.

   Roos is een echte familievrouw. ‘Als jij denkt dat die foto hier niet past, dan hangen we iets anders op, bijvoorbeeld de trouwfoto van mijn grootouders.’

   ‘We moeten het er nog maar eens over hebben,’ zeg ik.

   ‘Trouwens,’ bedenkt Roos opgewekt. ‘Nu ik mijn been gebroken heb, kan ik eindelijk weer eens portretten schilderen.’

   ‘Dat is mooi meegenomen,’ zeg ik. ‘Wie ga je schilderen?’

   ‘Jou!’ roept ze opgetogen. ‘Als je weer eens naar Afrika gaat en je vliegtuig stort neer, dan hang ik je hier op.’ Ze knikt naar de lege plek aan de muur. Maar dan rollen er opeens een paar tranen over haar wangen. ‘Sorry,’ zegt ze. 

   ‘Geeft niks,’ antwoord ik. Ze veegt de tranen alweer weg.

   ‘Wil je poseren?’ vraagt ze hoopvol.

   ‘Is het niet makkelijker om een foto na te schilderen?’ vraag ik. ‘Dan zit ik in ieder geval stil.’

   ‘Maar ik wil iets moeilijks doen,’ zegt ze. ‘Voor jou. Nu heb ik alle tijd.’

 

Ik zal van Roos  mijn hele leven houden. Al moet ik haar incontinent en met een dwarslaesie in een wagentje naar de Italiaan duwen om haar het ijs te voeren waar ze dol op is: malaga en pistache. Haar kwijlende mond, die scheef hangt sinds de laatste attaque, zal ik dan kussen als ze prevelt: ‘Wat een geluk dat jij geen MS hebt, lieverd.’