Het voordeel van de rollator

 

 ‘Vergeet u mijn rollator niet?’ vroeg mevrouw Bloem. Met één hand steunde ze tegen de deurpost, in de andere klemde ze een bruinleren handtasje, model jaren vijftig. Ze droeg een zomerjurkje dat frivool afstak tegen haar grove steunkousen en zwarte schoenen. Haar gezicht had talloze rimpeltjes, naast haar ogen verdiept door een innemende glimlach.
   ‘Daar hoeft u niet bang voor te zijn, buurvrouw,’ zei ik. ‘U bent in goede handen.’

   ‘Dat weet ik,’ zei ze. ‘Wat aardig dat u me wilt wegbrengen. Het gebeurt niet vaak meer dat iemand een oud mens wil helpen.’ 

   ‘Het is een kleine moeite. Ik ga vandaag op reis en zet u even af. Ik kom toch langs de markt.’ Aan mijn arm schuifelde ze naar de auto. Haar knotje flapte heen en weer op de kraag van haar japon. 
 
‘Waar gaat u heen?’ vroeg ze. 
  ‘Een weekje Parijs, voor mijn werk,’ zei ik en liet haar op de voorbank zakken. Toen ik ook haar benen in de auto had gewerkt, probeerde ik de rollator in de kofferbak te wurmen. 
   ‘De palletjes aan de zijkant tegelijk indrukken!’ riep ze zonder haar hoofd om te draaien. Ik klemde mijn vingers tussen de scharende stangen.

We reden de Vossenlaan uit. Het was een prachtige dag.

   ‘Het is zo’n héérlijk ding, die rollator,’ zei mevrouw Bloem. ‘Sinds ik hem heb, voel ik me vijftig jaar jonger.’ Ik keek naar haar dunne witte haren en berekende dat mijn buurvrouw zich ongeveer vijfendertig moest voelen. Ik vond haar nog steeds mooi.

   ‘Ja, het zijn fantastische dingen,’ zei ik terwijl ik mijn pijnlijke vingers bewoog om te controleren of ze niet gebroken waren.

   ‘Ik kwam het huis niet meer uit,’ zei ze. ‘De hele dag zat ik met mijn breiwerk voor de tv. Een geluk dat ik van breien houd.’

   ‘Dus de rollator heeft u uit uw isolement verlost,’ concludeerde ik terwijl ik de Wilhelminalaan opdraaide.

   ‘Dat heeft u mooi gezegd, buurman. Zonder rollator kan ik geen stap verzetten.’

   ‘En nu kunt u zelfs naar de markt. Wat gaat u daar doen als ik vragen mag?’   ‘Ik ga...’ Ze zweeg plotseling en keek me verschrikt aan. ‘Ja, wat ga ik daar doen? Goed dat u het vraagt. Waarom moest ik ook weer naar de markt?’ Koortsachtig vroeg ik me af hoe ik mijn passagier, wiens kortetermijngeheugen in kennelijke staat van verval verkeerde, zou kunnen helpen. Ze was wel aan een nieuw handtasje toe, vond ik, en een paar prettig zittende schoenen zou ook aan haar besteed zijn. Opeens flitste het reddende idee door mijn hoofd.
   ‘Breiwol kopen misschien?’ vroeg ik hoopvol. Bingo! 
 
   ‘Dat is het!’ jubelde ze. ‘Wat een geluk dat ik u dat verteld had. Ik ga een truitje breien voor mijn achterkleindochter. Ach, buurman, als ik die rollater toch niet had!’ We waren op de markt aangekomen. Ik zette de auto naast het trottoir en keek op de klok in het dashboard. Ik moest haast maken om op Schiphol te komen.

   ‘Mag ik u hier afzetten?’ vroeg ik. Snel liep ik om de auto heen en hielp mevrouw Bloem uit de auto.

   ‘Succes, en niet vergeten: breiwol!’ zei ik. ‘En als u weer eens ergens heen moet, belt u dan gerust, ik help u graag.’ Gehaast sprong ik achter het stuur en sloeg het portier dicht. Mevrouw Bloem stond op de stoep. Ze boog zich naar het raam en zwaaide energiek. Ik zwaaide terug. Haar mond bewoog. Blijkbaar wilde ze nog iets zeggen, een bedankje waarschijnlijk, de lieverd. Ik reed weg en claxonneerde ten afscheid. In mijn spiegel zag ik het breekbare figuurtje staan, verloren tussen het krioelende publiek. Ze zwaaide met beide handen naar me.

   ‘Een lief mensje,’ mompelde ik. ‘Jammer dat ze zo vergeetachtig is.’